Tolerantie – Trouw 9 maart 1998

//Tolerantie – Trouw 9 maart 1998

Tolerantie – Trouw 9 maart 1998

Duldzaam uit dankbaarheid

KEES SCHUYT – 9 maart 1998

Tolerantie is een onvolmaakte deugd voor een onvolmaakte samenleving. In de hedendaagse discussie wordt vaak betwijfeld of tolerantie wel tot de deugden gerekend kan worden. Men spreekt bijvoorbeeld van een kleine deugd, een onmogelijke deugd of een ongrijpbare deugd. Tegenover deze sceptische geluiden staat de opvatting dat voor de hedendaagse multiculturele samenleving tolerantie een noodzakelijke deugd is, waardoor die moderne samenleving ondanks grote culturele en morele, religieuze en politieke verschillen bij elkaar gehouden kan worden.

Waarom is tolerantie een onvolmaakte deugd? Omdat een wezenlijk kenmerk van tolerantie is dat je iets toelaat wat je in feite afkeurt. Omdat hetgeen je afkeurt toch plaatsvindt, kun je over het resultaat niet erg enthousiast worden. Er blijft bij tolerantie altijd iets knagen, er is iets wat je terneerdrukt. Dit in tegenstelling tot andere deugden zoals moed, rechtvaardigheid en dankbaarheid, waarbij je intrinsiek tevreden, onbekommerd blij kunt zijn als ze worden beoefend. Hoe meer dankbaarheid hoe meer vreugd, maar dat is niet zonder meer te zeggen van verdraagzaamheid: hoe meer je verdraagt, hoe meer er eigenlijk is dat niet deugt. Vandaar dat ik het een onvolmaakte deugd noem.

Voor een onvolmaakte samenleving: een samenleving waarin meningen botsen en allerhande conflicten plaatsvinden, waarin dingen gebeuren die niemand leuk of aangenaam vindt. Waarin opvattingen soms lijnrecht en onverzoenlijk tegenover elkaar staan, zoals over de positie van de vrouw in de islam, of over de bescherming van het leven bij abortus en euthanasie of over het gebod tot bescherming van de vrijheid van meningsuiting en het eventuele verbod van de verspreiding van pornografie.

De onvolmaakte deugd in een onvolmaakte samenleving moet eigenlijk door volmaakte mensen worden beoefend wil er nog iets van deugen. Het is duidelijk dat ook hier iets aan schort. Daarom moet iets gezegd worden over de psychologie van de verdraagzaamheid: wat is nodig om een verdraagzaam persoon genoemd te worden? Is dat wel vol te houden? Is verdraagzaamheid iets voor slappe mensen, die alles al gauw goed vinden om ervan af te zijn of juist iets voor heel sterke personen, die veel kunnen hebben? Sigaret De historische oorsprong van de tolerantie ligt bij de hevige godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw. Uiteindelijk is toen een religieuze tolerantie overeengekomen, die het grondmodel van tolerantie is geworden. In de hedendaagse samenleving is de godsdienstvrijheid wettelijk vastgelegd. Bovendien wordt ze niet meer als een maatschappelijke twistappel ervaren. Daarom doemen nu geheel andere vragen op met betrekking tot tolerantie: mag een culturele minderheid eigen opvoedingsmethoden toepassen, ook als die niet stroken met in de dominante cultuur vastgelegde normen? Mag je of moet je porno op het internet verbieden? Is het niet meer toestaan van roken een nieuwe vorm van onverdraagzaamheid? Mag iedereen er zijn eigen seksuele moraal op na houden en is niemand meer aan iemand enige verantwoording schuldig? Moet alles kunnen? Zijn er in de moderne samenleving inderdaad zoveel zinnen als er hoofden zijn?

Om al deze vragen uit elkaar te houden, kies ik voor een analytische aanpak: hoe kun je tolerantie omschrijven en welke nieuwe vragen kunnen naar aanleiding van die omschrijving gesteld worden? Ik heb tolerantie eens omschreven als ‘het onderdrukken van de neiging om te onderdrukken’. Hoewel deze korte formulering een essentieel onderdeel van tolerantie weergeeft, heeft ze het nadeel dat ze allerhande nuances weglaat. Aan die nuances wil ik hier wel aandacht schenken.
Tolerantie heeft een paradoxaal karakter. Wezenlijk is dat je iets toelaat of iets laat gebeuren, dat je om een of andere reden niet goed vindt. Iets toelaten dat je goed vindt, daar is geen kunst aan. Iets toelaten dat je volmaakt koud laat (bijvoorbeeld het geloof in UFO’s) valt ook al niet als deugdzaam te kwalificeren. In mijn voorlopige omschrijving komen twee aspecten naar voren: het handelingsaspect (het niet verhinderen) en het object van het toelaten (het iets dat getolereerd wordt). Het handelingsaspect sluit aan bij onze dagelijkse ervaring. Stel, ik rook zelf niet, ben er zelfs fel tegen. Ik krijg gasten op bezoek, in mijn eigen huis, zodat ik het in mijn macht heb hun te verbieden een sigaar of sigaret op te steken. Toch doe ik het niet: ik weerhoud mezelf ervan om anderen te weerhouden om iets te doen, dat ik zelf afkeur. Tolereren is niet handelen, niet handelend optreden, er niet op slaan als het in je vermogen ligt iets te verhinderen, te verbieden, tegen te houden. Vandaar mijn formulering: het onderdrukken van de neiging om anderen te onderdrukken. Men kan niet optreden tegen iets dat men onaangenaam vindt, omdat het bij nader inzien niet belangrijk genoeg is om er tegen in te gaan, of omdat men het als machthebber niet opportuun vindt om het te doen, ofwel omdat men met de betreffende persoon of groep nog vaak te maken heeft en het verstandiger vindt om maar niet te grote stennis te maken. Het hangt vaak van deze redenen af of we te maken hebben met tolerantie of met onverschilligheid, met gedogen of met pragmatische en berekende machtsuitoefening. Aan het gedrag alleen valt het niet af te lezen: men laat dingen toe, men laat dingen gebeuren, maar slechts onder zeer bepaalde condities is daar iets deugdzaams aan te bespeuren. De analyse van dit handelingsaspect brengt een nieuw inzicht met zich mee: gedrag kan de uiterlijke vorm aannemen van tolerantie (het niet ergens tegen optreden), terwijl het om puur pragmatische redenen wordt gevolgd. Hier zie ik het deugdzame niet van in. Tolerantie als gedragsvorm, als alledaagse praktijk, is geen deugd, hoewel het heel belangrijk kan zijn dat men dingen toelaat, geen gewelddadige conflicten aangaat of geen onherstelbare ruzie laat uitbreken.
‘Fout’ pak Er speelt nog een vraag bij dit handelingsaspect. Gaat het om afkeer of om afkeuring? Sommige auteurs, bijvoorbeeld de Engelse ethica Mary Warnock, geven er de voorkeur aan alleen maar van tolerantie als deugd te spreken als het om een sterke afkeuring gaat. Met andere woorden: men moet heel wat bij zichzelf overwinnen om de deugd van tolerantie te beoefenen. Laat ik dit toelichten. Stel, ik hou niet van geitenharen sokken en sandalen onder een net blauw pak en toch komt er een jongeman bij ons thuis, de vriend van mijn dochter, die dit draagt. Ik laat niets merken en vertoon zelfs blijdschap als hij in dit foute pak om de hand van mijn dochter komt vragen (het voorbeeld is van Mary Warnock). Beoefen ik nu een deugd of ben ik gewoon om mijn kleine dagelijkse teleurstellingen en frustraties op een nette, onopvallende en dus beschaafde manier te verwerken? Valt beschaafd gedrag gelijk te stellen met verdraagzaamheid?
Volgens Warnock is er pas sprake van tolerantie als deugd als het getolereerde een duidelijke morele afkeuring krijgt. Zo vallen heel veel ogenschijnlijk tolerante houdingen, bijvoorbeeld tegenover astrologie, irritante reclames op de televisie, rare voorkeuren van andere mensen, niet in de categorie deugdzaam. In deze gedachtegang is tolerantie pas een deugd als er een bepaald motief of een bepaalde reden aan ten grondslag ligt om moreel afkeurenswaardig gedrag toch toe te laten, bijvoorbeeld op basis van respect voor de autonomie van de ander. Hier is de abortuskwestie een goed voorbeeld naar twee kanten.

Voorstanders zijn tolerant indien ze het laten verrichten van abortus toestaan aan anderen, hoewel ze dit zelf afkeuren. Omgekeerd zijn diegenen die het een persoonlijk recht vinden van de vrouw om over het wel of niet laten geboren worden van een vrucht (mits aan de wettelijke termijnen voldoend) zelf te beslissen, tolerant als ze met respect voor de opvattingen van de tegenstanders van abortus de pro life-demonstraties niet verstoren en het gesprek over wederzijdse opvattingen aangaan. Het gaat in beide kampen om morele overtuigingen inzake levenskwesties en vermoedelijk omdat daarover niet gemakkelijk een eenduidige overtuiging kan worden gevonden, is tolerantie hier inderdaad een moderne deugd. Voor beide partijen blijft er iets onverteerbaars, maar toch stelt men zich tolerant op.
Racisme Nu kom ik op het tweede principiële kenmerk van tolerantie: het getolereerde. Wat is dat? Is alles te verdragen? Zijn er grenzen aan tolerantie die, als ze niet in acht genomen worden, de deugd van tolerantie ineens doen omslaan in medeplichtigheid aan onrecht, althans aan het passief toelaten van onrecht? Niet optreden tegen zaken die absoluut afkeurenswaardig zijn, bijvoorbeeld moord en verkrachting, is toch niet aanvaardbaar? De omschrijving van tolerantie als het onderdrukken van de neiging om te onderdrukken is dus slechts de helft van het verhaal. Er zijn zaken die absoluut niet te tolereren zijn, waarbij dus ook niet niét opgetreden dient te worden. Bij nader inzien blijkt tolerantie als deugd slechts een hele smalle strook van handelingen te betreffen. Aan de ene kant van de strook vinden we al die gedragingen, die onder geen omstandigheid geduld kunnen worden, aantastingen van de persoonlijke integriteit van mensen. Een beroep op tolerantie in dit soort gevallen is eenvoudig niet op zijn plaats: seksuele extravagantie, waarbij de persoonlijke integriteit van kinderen en volwassenen wordt aangetast, kan niet met een beroep op tolerantie toegestaan worden. De grenzen van tolerantie vallen tegenwoordig naar mijn mening zo goed als samen met het eerbiedigen van de rechten van de mens. Ze hebben als zodanig ook een juridische erkenning en dus bescherming gekregen.
Aan de andere kant van de smalle strook van tolerantie vallen die toestanden, opvattingen of gedragingen, die helemaal niets afkeurenswaardigs hebben. Het tolereren van iets dat helemaal niet afkeurenswaard is, kan wel voor een bepaalde persoon een hele prestatie zijn en maatschappelijk nuttig, het is de vraag of het als deugd valt aan te merken. De moderne discussie over tolerantie geeft hier vaak voorbeelden uit de sfeer van racisme en interetnische verhoudingen. Een jonge neo-nazi met een geweldige hekel aan Turkse immigranten, die zijn neiging om te onderdrukken onderdrukt, is nog niet deugdzaam want zijn eerste neiging zelf heeft niets deugdzaams.

Om dezelfde redenen is het begrip tolerantie eigenlijk ongepast als het gaat om de houding jegens leden van etnische minderheden. Deze groepen willen niet slechts ‘getolereerd’ worden, maar ze hebben als leden van de Nederlandse samenleving een volledig recht om hier te zijn. Elke etnische groepering heeft recht van bestaan als lid van de mensheid, zodat het tolereren van minderheden niet als een deugd gezien kan worden. Waar recht komt, verdwijnt de deugd. Dat er toch veel gesproken wordt over tolerantie in een multiculturele samenleving komt doordat dit geschiedt in de context van discriminatie en intolerantie. Het verminderen van intolerantie jegens minderheden is uiteraard van het grootste belang en zeer aan te moedigen, maar ik zou het niet gelijk willen stellen met een deugd.
De analyse van het tweede aspect van tolerantie levert wederom een nieuw gezichtspunt op: er is een nauwe, zeer complexe relatie tussen iets erg vinden en tolereren. Wie veel dingen erg vindt, heeft, in een eenzijdige omschrijving van tolerantie, veel mogelijkheden tot deugdzaam leven. Wie minder dingen erg vindt, heeft vanzelf minder aanleiding tot tolerant gedrag. Dit inzicht is bijzonder cruciaal voor de vraag hoe men de jonge generatie moet opvoeden in een multiculturele samenleving. Om het scherp te stellen: moet men vanuit de eigen cultuur eerst heel veel erg vinden en dan de deugd van tolerantie aangeleerd krijgen? Of kan men beter aanleren minder dingen erg te vinden, zodat de vraag of men de neiging om het vreemde bij anderen te onderdrukken bij zichzelf moet onderdrukken niet meer zo snel aan de orde komt. Er is dus een relatie tussen tolerantie en onverschilligheid, in die zin dat een langdurige tolerante houding de grens van wat erg wordt gevonden enigszins doet opschuiven. Maar dat volgt er niet noodzakelijk uit: ik kan principieel het gebruik van soft drugs blijven afwijzen en afkeuren (als moreel standpunt) en toch verdragen dat anderen daar anders over denken en anders handelen: niet uit gemakzucht of omdat het niet anders kan, maar uit principiële tolerantie voor de autonome keuze van die anderen. Deze redenering wordt moeilijker als ik in plaats van soft drugs heroïne zou invullen. Heeft iemand het recht zichzelf te gronde te richten en moeten wij dit (willen) toelaten?

De voornaamste conclusie uit deze analyse is dat tolerantie slechts onder zeer strikte voorwaarden is te zien als een echte klassieke deugd. Niet alles dat getolereerd wordt, is deugdzaam en niet alles dat als deugdzaam wordt gepresenteerd hoeft getolereerd te worden. Ook als tolerantie niet als deugd kan worden aangemerkt, heeft ze als gedragsvorm een belangrijk maatschappelijk nut, als een bijdrage tot conflictvermindering of -verhindering. De niet-alledaagse tolerantie, tolerantie als deugd, is vrij zeldzaam. De alledaagse tolerantie, tolerantie als levenspraktijk, is minder zeldzaam, maar zeer praktisch voor een pluriforme samenleving.
Haveloze kledij Het begrip ‘alledaagse tolerantie’ is een bewuste verwijzing naar het boek van Philomena Essed Alledaags racisme. Zoals zij onderscheid maakt tussen de uitgesproken ideologie van racisme en de gewone, alledaagse soms zelfs onbewuste gedragingen, zo kan er ook een onderscheid gemaakt worden tussen de verheven ideologie en theorie van tolerantie en de down to earth-praktijk van het verdraagzaam omgaan met elkaar. De geschiedenis van de tolerantie in Nederland is steeds verbonden geweest met een sterk theoretisch doorgevoerde religieuze tolerantie: vrijheid van godsdienst, vrijheid van belijdenis, vrijheid van geweten, accommodatie van religieuze en ideologische verschillen. Maar wie empirisch naar de Nederlandse samenleving kijkt, kan een steeds aanwezige discrepantie constateren tussen de veelgeroemde, zelfs in het buitenland beroemde, idee van tolerantie en de alledaagse praktijk. In de praktijk gingen protestanten en katholieken lange tijd niet met elkaar om, haatten de twee groepen elkaar en mochten de kinderen vooral niet met elkaar spelen. Nu is dat over, maar nu zijn er nieuwe discrepanties ontstaan tussen ideologie en praktijk.

Bijvoorbeeld die tussen de idee van een multiculturele samenleving, waar net als vroeger de vele verschillende groepen vreedzaam naast elkaar leven en met elkaar verkeren (liefst met behoud van eigen identiteit), én de alledaagse praktijk van dit inter-etnisch samen leven: kleine conflicten, kleine ergernissen, grote misverstanden, nauw verholen wrok tussen groeperingen onderling en tussen minderheidsgroepen en de officiële gevestigde orde van instituties. Alledaagse tolerantie als begrip vraagt aandacht voor deze kant van de moderne samenleving. Ik wil dat begrip uitwerken met een paar voorbeelden: tolerantie voor daklozen, voor allochtone jongerengroepen op straat, tolerantie voor straatvuil en graffiti en tolerantie voor offensieve gedragingen als het in brand steken of in elkaar trappen van fietsen in relatie tot geweld.
Mijn vooronderstelling is dat de structuur van deze alledaagse tolerantie te maken heeft met de vreedzame afhandeling van conflicten en zodoende bijdraagt aan een vermindering van geweld. Het begrip alledaagse tolerantie moet aan twee eisen voldoen. Het moet een relatie houden met het politiek-theoretische begrip tolerantie en met de lange geschiedenis ervan (zoals vrijheidsrechten, gewetenskwesties, godsdienstige en andere levensbeschouwelijke verschillen van opvatting). En het moet breed genoeg zijn om de kleine vanzelfsprekendheden van het alledaagse handelen te kunnen omvatten.
Ik meen dat zo’n omschrijving te geven is. In de analyse van het begrip tolerantie, legde ik de nadruk op het onderdrukken van de neiging om anderen te onderdrukken. Dit kan ik uiteenleggen in de volgende elementen:
– je ervaart iets onaangenaams (tolerantie voor zaken die je op geen enkele manier dwarszitten, is geen tolerantie, maar onverschilligheid);
– je hebt de neiging iets aan die onaangename ervaring te doen: iets te zeggen van het afkeurenswaardige gedrag, waar mogelijk het onaangename gedrag te corrigeren – wat ik ‘de neiging om te onderdrukken’ heb genoemd;
– maar ondanks deze neiging, laat je het onaangename voortbestaan, laat je het in zijn waarde, je verduurt het, verdraagt het;
– niet uit onmacht of onverschilligheid, maar uit respect voor een ander, voor iemand anders’ keuze, levenshouding, levensinrichting, bestaansgrond (inclusief het onaangename gedrag);
– terwijl je probeert het onaangename gedrag wel ter sprake te brengen, in beweging te brengen, te veranderen door middel van overtuiging.
Stuitende rijkdom Deze uitvoerige gedragsomschrijving kunnen we toepassen op het gedrag van daklozen. Is dat onaangenaam? Ja, soms wel: hun aanzien, haveloze kledij en geur ervaar ik als niet prettig. Ook ergert me het feit dat ze er in onze goed verwarmde verzorgingsstaat kennelijk niet in slagen mee te doen of een plaats te vinden in onze opvanginstituten. Bedelen in onze verzorgingsstaat zou eigenlijk niet moeten plaatsvinden. Ik ervaar het dus als onaangenaam, maar toch aanvaard ik hun gedrag uit respect voor hun persoon. Ik probeer dan vervolgens in gesprek te komen (niet elke dag, maar wel regelmatig). Ik wil ze niet (laten) opjagen naar de uithoeken van de stad of ze uit het straatbeeld doen verwijderen. Alledaagse tolerantie geeft ruimte aan daklozen – die zelf natuurlijk liever erkenning en een structurele oplossing voor hun problemen hebben dan ‘getolereerd’ te worden. Dit laatste is in overeenstemming met de geschiedenis van tolerantie: deviante groepen verkiezen tolerantie boven intolerantie, maar streven toch vooral naar erkenning en het toekennen van rechten. Voor hen is tolerantie niet genoeg.

Het tweede voorbeeld: hangjongeren, speciaal als zij in groepen rondhangen en van allochtone herkomst zijn. De definitie van de situatie is hier belangrijk. Het rondhangen op pleinen zien deze jongeren als ‘gewoon vrije tijd’, maar wij, autochtone ouderen, beschouwen het als samenscholingen, als het beramen van misdaden of als bedreigende activiteiten. Hierop wil ik eveneens de toets der alledaagse tolerantie toepassen. Onaangenaam? Dat is maar de vraag. Interculturele perceptieverschillen worden hier gemakkelijk over het hoofd gezien, met als gevolg de kans op self-fulfilling prophecies: omdat ze als bedreigend worden ervaren, worden ze achterdochtig en gaan ze anderen bedreigen. Vraag: “Waarom kunnen ze niet ‘gewoon’ doen?” Antwoord: “Ja, we doen ook gewoon dat wat we (in onze cultuur) altijd al deden: in de openbare ruimte met elkaar kletsen en rondhangen.” Het alledaagse leven kent veel van deze ongewoonheden, waar alledaagse tolerantie een antwoord op kan zijn. Laat het gebeuren, onderdruk het niet, uit respect voor de levenswijze. Maar bespreek het wel; laat surveillerende politieagenten en allochtone jongeren regelmatig met elkaar deze misverstanden en meningsverschillen uitpraten.

Derde voorbeeld: alledaagse vernieling en versiering van gebouwen (graffiti). Wat voor de een versiering is, een daad van allerdiepste expressie, is voor een ander vernieling. Er spelen soortgelijke perceptieverschillen en definitie van de situatie-problemen als bij het rondhangen. Onaangenaam? Ja, vaak wel, vanwege het vervuilende karakter ervan. Maar het is te verdragen. Vooral in een grote stad moet veel verdragen worden: uitpuilende seksshops, opdringerige reclames, body culture, lawaai, stank en overlast, weggegooide spuiten en condooms, op jacht zijnde en weggejaagde junks, in de weg staande auto’s, stuitende rijkdom naast stuitende armoede. In de stad komt de vraag naar het fysiek onverdraaglijke dichterbij.
Deze opsomming staat in schril contrast met de lofzang op het tolerante Amsterdam, die Spinoza in het laatste hoofdstuk van zijn Theologisch-Politiek Tractaat schreef. Toen (in 1670) ging het om het verdragen van religieuze verschillen en het aanvaarden van vreemdelingen van over de hele wereld. Thans gaat het niet meer om die overtuigingsverschillen, want die worden stilzwijgend aanvaard, maar gaat het vooral om perceptieverschillen: hoe ziet de werkelijkheid eruit? Smerig of gewoon?

Het vierde voorbeeld: het in brand steken of in elkaar trappen van fietsen, de inbreuk op eigendommen en de aantasting van de lichamelijke integriteit. Dit voorbeeld staat in verband met het ontstaan van geweld in de binnenstad, waarbij een persoon iets niet tolereerde en vervolgens met geweld ter dood werd gebracht. In de grote theorie van tolerantie ligt hier ook het kernprobleem, namelijk waar moet men de grens trekken van tolerantie? Het antwoord hierop heb ik (in het Liber Amicorum voor J. Goudsblom) als volgt geformuleerd: bij de aantasting van de mensenrechten en de lichamelijke integriteit van personen. Tolerantie is geen onverschilligheid. Deze grens geldt in principe ook voor de kleine verdraagzaamheid van alledag. Het in elkaar trappen van een fiets, het in brand steken van eigendommen vallen niet binnen de zone van verdraagzaamheid. Het nieuwe, uit New York afkomstige politiebegrip zero-tolerance is hier op zijn plaats, hoewel men de politie met een zeer zware taak belast om al deze veel voorkomende gebeurtenissen daadwerkelijk tegen te gaan of te controleren. Soms komt iets dat op tolerantie lijkt voort uit pure onmacht. De conclusie uit deze vier voorbeelden, die bewust in een oplopende reeks van ernst zijn gepresenteerd, is dat het wel degelijk mogelijk is om te komen tot een beredeneerde afbakening van te tolereren en niet meer te tolereren gedragingen. Tolerantie neemt de bescherming van de persoonlijke integriteit en mensenrechten serieus.

Niet-alledaagse mensen Tolerantie is het vermogen om de neiging anderen en het andere weg te drukken, zelf te onderdrukken. Dit vermogen wordt bevorderd door zelfkennis: waar komt de neiging en de angst voor het vreemde en het andere eigenlijk vandaan? Door alledaagse tolerantie kan deze zelfkennis toenemen, zoals ook omgekeerd de tolerantie kan toenemen door praktisch gegroeide zelfkennis: ‘ik had ook wel dakloos kunnen worden’ (als het lot onder bepaalde omstandigheden mij ongunstig gezind zou zijn geweest); ‘ik heb ook wel met vrienden rondgehangen, vroeger, in vergelijkbare vormen en omstandigheden’; ‘ik zou ook wel heel mooi kunnen en willen schilderen, maar zie het nu als een uiting van vaak kansloze jongeren om ‘s nachts de muren met hun kleuren en hun parafen te signeren’. De meeste moeite heb ik om me te verplaatsen in een situatie waarin ook ik de integriteit van andere personen grof zou kunnen aantasten. Maar dat is dan ook precies het gedrag dat ligt ‘over de grens van het tolereerbare’ heen. Ik sluit af met een citaat van de Duitse psycholoog Riemann (Angst, 1990, p. 188), die de wenselijkheid van de tolerantie baseerde op deze toevalligheden van het levenslot: “Uiteindelijk hebben we allen last van een niet voldoende verwerkt verleden. Degene die toch een goede vorm aan zijn leven heeft kunnen geven, doordat hij meer hulp dan tegenwerking ontmoette, zou uit dankbaarheid meer begrip en tolerantie ten opzichte van de minder gelukkigen moeten opbrengen.”
Zo komt uit een volmaakte deugd, de dankbaarheid, een andere, onvolmaakte, deugd voort. Tolerantie is een alledaagse kunst die het beste beoefend wordt door niet-alledaagse mensen.

By | 2018-05-02T10:01:27+00:00 May 2nd, 2018|Uncategorized|Comments Off on Tolerantie – Trouw 9 maart 1998

About the Author: